De ‘Vrije’ Trambaan' - Veiligheidsstudie tramongevallen

Rubriek: Tegen Tram
Bron: Raad voor de Transportveiligheid
14-11-2009

DE ‘VRIJE’ TRAMBAAN Veiligheidsstudie tramongevallen: botsveiligheid, infrastructuur en de bestuurlijke factoren. Opgesteld door Raad voor de Transportveiligheid.

Uit een eerdere verkenning die de Raad uitvoerde ten aanzien van stadstrams is gebleken, dat het risico dat derden lopen om aangereden te worden door een tram relatief groot is. In de vier steden met een tram Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht rijden in totaal 500 stadstrams. In de periode 1990 1998 waren deze betrokken bij meer dan 8000 ongevallen die 70 doden en bijna 2000 gewonden tot gevolg hadden. Op grond van dit gegeven is een diepgaand onderzoek gestart naar ongevallen met trams.

Voor de grote steden is de tram een niet weg te denken onderdeel van het openbaar vervoeraanbod. De tram vervult in die steden een belangrijke functie ten aanzien van de leefbaarheid en de bereikbaarheid. Tevens zijn er ontwikkelingen gaande die er toe leiden dat het vervoer per tram zal gaan toenemen. Op veel plaatsen wordt immers gedacht over of zelfs gewerkt aan een nieuw vervoerconcept: ‘Light Rail’, een combinatie van tram en trein. Met Light Rail moet het mogelijk worden om vanaf het hoofdspoor tot diep in de grote steden te reizen met één en hetzelfde vervoermiddel.

Het onderzoeken van tramongevallen is een nieuw onderwerp van onderzoek voor de Raad voor de Transportveiligheid. Er is geen ‘historie’ op dit gebied, de Spoorwegongevallenraad, voorganger van de Raad in de railsector, had namelijk geen bevoegdheden op dit terrein. Daarom heeft de Raad pas in 2000 een verkennende studie uitgevoerd naar de veiligheid van stadstrams1. Hieruit bleek dat met de ongeveer 500 trams jaarlijks gemiddeld 900 tramongevallen2 plaatsvinden, waarvan bijna 200 met letsel en 8 met doden. Met name voetgangers, fietsers en bromfietsers vormen de slachtoffers bij de dodelijke ongevallen. Een analyse van ongevallenconcentraties leerde dat tramongevallen zich vooral voordoen in gebieden waar een sterke menging van tram met voetgangers- en fietsverkeer optreedt.

Tramongevallen vormen in absolute zin een beperkt deel van het totale aantal wegverkeerongevallen. Relatief gezien is het probleem echter wel groot. Een voetganger of (brom)fietser heeft in de grote steden een relatief grote kans om door een tram dodelijk te worden aangereden. Vergeleken met aanrijdingen met een auto is die kans ongeveer anderhalf maal zo groot.

In vergelijking met de bestuurders van bussen, vrachtauto's en personenauto's heeft de trambestuurder veel minder gelegenheid om door krachtig remmen een botsing te voorkomen of de botssnelheid zoveel mogelijk te beperken. Een zo laag mogelijke botssnelheid is van groot belang voor de overlevingskans van een slachtoffer. Daarbij komt dat het voor een tram onmogelijk is om bij een dreigende aanrijding uit te wijken.

Duurzaam veilig is een benadering van verkeersveiligheid, die door de Minister van Verkeer Waterstaat enige jaren geleden is geïntroduceerd.
In deze benadering ligt het accent op het voorkomen van ongevallen door de infrastructuur zo in te richten dat botsingen met ernstige afloop worden voorkomen.

Als wordt aangenomen dat de maximumsnelheid voor personenauto's in het stadsverkeer (niet meer dan 50 km per uur) tot doel heeft de maximumafstand waarbinnen een personenauto moet stilstaan te beperken, dan betekent dit dat in gebieden voor gemengd weggebruik de maximumsnelheid van de tram niet meer mag bedragen dan 30 km per uur. Bij die snelheid is de stopafstand van de tram hetzelfde als de stopafstand van een personenauto die rijdt met een snelheid van 50 kilometer per uur.

Klik hier om het gehele rapport te lezen als .PDF bestand.

 

Bron: Raad voor de Transportveiligheid